|
BHV en de Arbowet
Hieronder staan ter informatie de wetsartikelen van de Arbowet inzake de BHV en belangrijke wijzigingen in de loop van de jaren.
Wijzigingen Per 1 juli 2005 is de Arbowet aangepast en kunnen werkgevers voortaan kiezen of zij een arbodienst inschakelen of dat zij een aantal arbozaken zelf gaan regelen. Voor welke optie u als werkgever ook kiest, het aanstellen van een preventiemedewerker is verplicht. De preventiemedewerker helpt de werkgever bij de dagelijkse veiligheid en gezondheid binnen de organisatie.
De Arbowet is ingaande 1 januari 2007 ingrijpend gewijzigd met grote gevolgen voor het bedrijfsleven. De belangrijkste reden schuilt in het feit dat er in Nederland 85.000 ongevallen per jaar plaatsvinden en dat de bestaande wetgeving niet heeft geleid tot terugdringing ervan. Voorts is in de Arbowet 2007 en het Arbobesluit 2007 de Europese Kaderrichtlijn veiligheid en gezondheid op het werk vertaald naar de Nederlandse situatie. Om het aantal ongevallen terug te dringen bleek een andere aanpak nodig. Er wordt een grotere verantwoordelijkheid bij de ondernemers gelegd. Dit betekent dat het in het oude Arbobesluit beschreven minimum aantal BHV'ers afhankelijk van aantal medewerkers is komen te vervallen. Het aantal benodigde BHV'ers wordt voortaan uitsluitend bepaald door middel van de RI&E. Het is de bedoeling dat branche organisaties zogenaamde arbocatalogie samenstellen. Vuurrood biedt hiervoor een mooie oplossing met het logboek. Vanaf 1 januari 2010 is de nieuwe wet Kinderopvang van kracht. Op basis van die wet zijn ook bepalingen opgenomen ten aanzien van de Eerste Hulp. Meer info hierover...
Arbeidsomstandighedenwet versie 1-1-2007 Definities 2. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt mede verstaan onder: 4. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Arbobeleid 2. De werkgever voert, binnen het algemeen arbeidsomstandighedenbeleid, een beleid gericht op voorkoming en indien dat niet mogelijk is beperking van psychosociale arbeidsbelasting. 3. Ter uitvoering van het eerste lid draagt de werkgever zorg voor een goede verdeling van bevoegdheden en verantwoordelijkheden tussen de bij de werkgever werkzame personen, waarbij hij rekening houdt met de bekwaamheden van de werknemers. 4. De werkgever toetst het beleid regelmatig aan de ervaringen die daarmee zijn opgedaan en past de maatregelen aan zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring daartoe aanleiding geeft.
Inventarisatie en evaluatie van risico's 2. In de risico-invenatrisatie en –evaluatie wordt aandacht besteed aan de toegang van werknemers tot een deskundige werknemer of persoon, bedoeld in de artikelen 13 en 14, of de arbodienst. 3. Een plan van aanpak, waarin is aangegeven welke maatregelen zullen worden genomen in verband met de bedoelde risico's en de samenhang daartussen een en ander overeenkomstig artikel 3, maakt deel uit van de risico-inventarisatie en -evaluatie. In het plan van aanpak wordt tevens aangegeven binnen welke termijn deze maatregelen zullen worden genomen. 4. De risico-inventarisatie en -evaluatie wordt aangepast zo dikwijls als de daarmee opgedane ervaring, gewijzigde werkmethoden of werkomstandigheden of de stand van de wetenschap en professionele dienstverlening daartoe aanleiding geven. 5. Indien de werkgever arbeid doet verrichten door een werknemer die hem ter beschikking wordt gesteld, verstrekt hij tijdig voor de aanvang van de werkzaamheden aan degene, die de werknemer ter beschikking stelt, de beschrijving uit de risico-inventarisatie en evaluatie van de gevaren en risicobeperkende maatregelen en van de risico's voor de werknemer op de in te nemen arbeidsplaats, opdat diegene deze beschrijving verstrekt aan de betrokken werknemer.
Voorkomen van gevaar voor derden 2. Het niet naleven van het eerste lid is een overtreding.
Bijstand deskundige werknemers op het gebied van preventie en bescherming 2. Voorzover de mogelijkheden onvoldoende zijn om de bijstand binnen het bedrijf of de inrichting te organiseren, wordt de bijstand verleend door een combinatie van deskundige werknemers en andere deskundige personen. 3. Indien er geen mogelijkheden zijn om de bijstand binnen het bedrijf of de inrichting te organiseren, wordt de bijstand verleend door andere deskundige personen. 4. De werknemers en de andere deskundige personen beschikken over een zodanige deskundigheid, ervaring en uitrusting, zijn zodanig in aantal, gedurende zoveel tijd beschikbaar en zodanig georganiseerd, dat zij de bijstand naar behoren kunnen verlenen. 5. De werkgever stelt de werknemers in de gelegenheid de bijstand zelfstandig en onafhankelijk te verlenen. De werknemers worden uit hoofde van een juiste taakuitoefening niet benadeeld in hun positie in het bedrijf of de inrichting. Artikel 21, vierde zin, van de Wet op de ondernemingsraden is van overeenkomstige toepassing. 6. De deskundige personen verlenen hun bijstand met behoud van hun zelfstandigheid en van hun onafhankelijkheid ten opzichte van de werkgever. 7. Het verlenen van bijstand omvat in ieder geval: 8. Een afschrift van een advies als bedoeld in het zevende lid, onderdeel b, wordt aan de werkgever gezonden. 9. In de risico- inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 5, worden de maatregelen beschreven die nodig zijn om te voldoen aan het vierde en tiende lid. 10. In afwijking van het eerste tot en met het derde lid, kunnen bij werkgevers met niet meer dan 25 werknemers de taken in het kader van de bijstand ook worden verricht door de werkgever zelf, indien deze natuurlijk persoon is, of door de directeur indien de werkgever rechtspersoon is, indien deze personen beschikken over voldoende deskundigheid, ervaring en uitrusting om deze taken naar behoren te vervullen.
Deskundige bijstand op het gebied van bedrijfshulpverlening 2. Het verlenen van de bijstand houdt in elk geval in: 3. De bedrijfshulpverleners beschikken over een zodanige deskundigheid, ervaring, opleiding en uitrusting, zijn zodanig in aantal en zodanig georganiseerd dat zij de in het tweede lid genoemde taken naar behoren kunnen vervullen.
Operationaliteit, bereikbaarheid, beschikbaarheid en aanwezigheidArtikel 18
1. De bedrijfshulpverlening wordt zodanig georganiseerd dat binnen enkele minuten na het plaatsvinden van een ongeval of brand de bedrijfshulpverleningstaken op adequate wijze kunnen worden vervuld. 2. Zodanige organisatorische maatregelen worden genomen dat bij een ongeval of brand na aankomst van hulpverleningsorganisaties deze op adequate wijze kunnen worden bijgestaan. 3. Onder alle omstandigheden en met inachtneming van artikel 2.19 zijn bedrijfshulpverleners bereikbaar en beschikbaar om bij een ongeval of brand de bedrijfshulpverleningstaken te vervullen. 4. Indien de veiligheid of de gezondheid van andere werknemers in de nabije omgeving kunnen worden bedreigd, worden door de betrokken werkgevers op het gebied van de bedrijfshulpverlening zodanige organisatorische maatregelen genomen dat de betrokken bedrijfshulpverleners bij een ongeval of brand over en weer bijstand kunnen verlenen.
Eis tot naleving Artikel 27 1. Een daartoe aangewezen toezichthouder kan aan een werkgever een eis stellen betreffende de wijze waarop een of meer bepalingen gesteld bij of krachtens deze wet moeten worden nageleefd. 2. Een eis vermeldt van welke regelen hij de wijze van naleving bepaalt en bevat de termijn waarbinnen eraan moet zijn voldaan. 3. De werkgever is verplicht om aan de eis te voldoen. De werknemers zijn verplicht aan de eis te voldoen voor zover zulks bij de eis is bepaald. De werkgever draagt zorg dat de werknemers van de op hen rustende verplichting zo spoedig mogelijk in kennis worden gesteld. 4. Voor de toepassing van de vorige leden worden met een werkgever gelijkgesteld: de in artikel 16, zevende, achtste en negende lid bedoelde personen voor zover het betreft de krachtens dat artikel omschreven verplichtingen. 5. Een eis kan worden gesteld tot naleving van de artikelen 3, 4, 5, 6, 8, 11, 13, eerste tot en met vierde lid, negende en tiende lid, 14, eerste, tweede en zevende lid, 14a, tweede, derde en vierde lid, 15, eerste en derde lid, 16, voorzover dat bij de krachtens dat artikel gestelde regels is bepaald, 18 en 19.
Beboetbare feiten 2. Als beboetbaar feit wordt tevens aangemerkt de handeling of het nalaten in strijd met artikel 16, tiende lid, voor zover het niet naleven van de in dat artikellid bedoelde voorschriften en verboden bij algemene maatregel van bestuur is aangemerkt als beboetbaar feit. Terzake van de feiten, bedoeld in de vorige volzin, wordt bij algemene maatregel van bestuur bepaald of een boete kan worden opgelegd van de eerste of tweede categorie. 3. Een beboetbaar feit als bedoeld in het eerste of tweede lid wordt aangemerkt als een strafbaar feit, indien tweemaal binnen een een aan de dag van het constateren van dat beboetbare feit voorafgaande periode van 48 maanden, met respectievelijke tussenliggende perioden van ten hoogste 24 maanden, voor een beboetbaar feit bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting een boete is opgelegd die onherroepelijk is geworden. 4. Geen boete kan worden opgelegd terzake van bij of krachtens deze wet strafbaar gestelde feiten. 5. De handeling of het nalaten, bedoeld in het derde lid, is een overtreding.
Aanduiding pleger beboetbaar feit 2. Indien een beboetbaar feit wordt begaan door een rechtspersoon, kan de boete worden opgelegd aan: 3. Voor de toepassing van het eerste en tweede lid wordt met een rechtspersoon gelijkgesteld:
Hoogte boete en recidive 2. De ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, is niet reeds aangewezen als toezicthouder 3. De hoogte van de boete die ten hoogste voor een beboetbaar feit kan worden opgelegd is gelijk aan de geldsom van de categorie die voor het beboetbaar feit is bepaald. 4. Er zijn 2 categorieën: 5. Onze minister stelt beleidsregels vast waarin is aangegeven hoe de hoogte van de op te leggen boete wordt bepaald. 6. Onverminderd het vierde lid verhoogt de aangewezen ambtenaar, bedoeld in het eerste lid, op te leggen boete met 50%, indien op de dag van het constateren van het beboetbare feit nog geen 24 maanden zijn verstreken nadat een eerder beboetbaar feit bestaande uit het niet naleven van eenzelfde wettelijke verplichting is geconstateerd en de boete wegens het eerdere beboetbare feit onherroepelijk is geworden. 7. Voor zover de boete nog niet is geïnd vervalt zij door het overlijden van degene aan wie zij is opgelegd. |










